Bio

 

 

Uithuizen 1952: 
…een stadje, gekoeioneerd door de boeren van het hoge land, bestierd buitendien door een oud, ingeteeld, adellijk geslacht. In dit stadje is nog geen televisie, maar wel een bioscoop en een radio per gezin. 
Als daar je wiegje heeft gestaan, hoe kort ook, ook al is het middenin de zomer, nou dan – dan – dan zal je het weten.
(Fins plot)

 

Kota Radja 1957:
 … Lea is een zwarte engel. Ze zit op een boomstam bij de sportvelden. Er wordt kastie gespeeld door rennende witte sportschoenen en een blank slaghout. Lea’s kleurrijke rok valt over haar zwarte enkels. Ze doopt een stokje in een kalebas. Een felrood puntje komt eruit. Brandal. Tongval. 
‘Probeer eens jongen. Proef.’ 
Die vreemde smaak die brandt in je tong, de hele weg naar huis, de hele lange weg naar huis.
(De Revisor)

 

Meppel 1959: 
…De Eeuwige Jachtvelden waren door bulldozers opgehoogd. Het hoofdkwartier was alleen door blubber te bereiken. Ton had, zoals zo vaak, het hoogste woord. Hij was de enige die zich niet stoorde aan zijn eigen gestotter en gestamel. Vuurtjes maken kon hij overal. Hij had het in zijn vingers. Bovendien, zijn vader zat in het leger.
‘Stip,’ zegt Ton.
 Stip? Waarom Stip? ’Niet goed dan? Je wilde zelf een bijnaam.’ Guus valt hem bij.
 Zonder bijnaam ben je niets. Dat betekent dat niemand iets van je vindt. ‘Of wil je Napoleon heten of zo. Ko-ko-ko kop dicht.’ 
Zijn slagen stotteren op Guus’ hoofd.
 ‘Stip is je bijnaam. Wil je hem of niet? Zeg dan wat man.’
(De Revisor)

Groningen december 1964:
 … Was het maar voorbij, begon de school maar. Het klinkt erg, en dat is het ook. Kerstfeest is toch een vrolijk feest? Jezus is toch geboren? Hij gaat toch niet dood? 
Het enige wat je kan doen is wachten voor het raam van je meisje, dat niet eens je meisje is. Dat je hoopt dat ze iets van zich laat zien. Misschien wil ze wel even kijken naar de winter buiten, naar de oranje sneeuw die wordt voortgejaagd onder de straatlantaarns. En dat ze daar ook een klein stipje onder de lantaarnpaal ziet staan.
(Fins plot)

Groningen 1966: 
…Het was de enige bioscoop in de stad die de hele dag door films vertoonde. Knokfilms, B-westerns, op de kop getikte Franse misdaadfilms. In bijna al deze films kwam de Franse knokker Eddie Constantine voor. Hij had een pokdalig gezicht, een keiharde linkse en een charme waar je U tegen zei. Die charme bestond eigenlijk uit niets anders dan een jongensachtige glimlach waardoor je je (vooral vrouwen) meteen ontwapend voelde. Dat was het moment waarop hij wachtte, want dan kwam hij meteen met zijn linkse.
(Gagarins engelen)

Groningen 1966: 
…Ze waren naakt. 
Zij trok hem op zich en bewoog haar blanke dijen uiteen. 
Hij grabbelde in zijn broekzak naar de Blausiegel, scheurde het open en rolde het roze rubber over zijn lid. Te laat, of liever gezegd, te vroeg. Schoksgewijs kwam hij klaar. Hij keek haar in paniek aan. Zij lachte nog steeds. Ze haalde het volle roze zakje van hem af en bekeek de inhoud.
‘Je hebt nog genoeg.’
 Ze lagen naast elkaar. Zij neuriede. 
‘Tijd zat. ’
Ze luisterden naar de geluiden uit de gelagkamer. Ver weg was Tom Jones te horen. (Gagarins engelen)


Paterswolde 1967: 
…Homan was een lange stramme man in een bruin pak en met een smalle stropdas. Zijn adamsappel bewoog op en neer tussen de vellen in zijn hals. Een schoolmeester, al had hij dan bijgeleerd voor zijn akte Nederlands en was hij nu leraar. Een man van stalen principes en een onwankelbare moraal.
 Homan en hij bleven elkaar aankijken. Geen geschuifel, geen gekuch. Alleen in de verte het gebrom van de bulldozers die zand opduwden voor de snelweg door het Stadspark. De klas keek naar de stille shoot-out die zich voor hun ogen voltrok.
(Gagarins engelen)

Paterswolde 1969: 
…Verpleegbroeders uit de stad arriveerden. De brandweerman forceerde behoedzaam de deuren. De kinderen liepen hand in hand zo naar buiten, de nacht in, het licht tegemoet.
(Fins plot)


Leeuwarden 1973: 
…Sommige studentes hebben een vrolijke natuur, of ze zijn wellustig en trekken daardoor de aandacht. Maar zij niet. Wantrouwen had haar ogen dichtgeknepen en ongeloof haar mond opengezet, zuinigheid hield haar beursje gesloten. Dan legt alle goede wil het af. 
Ze was een volmaakte aanklacht tegen de schoonheid, dat weer wel.
(De Revisor)

Den Haag 1975: 
…De effecten waren meesterlijk. Elk shot kreeg een enorme zeggingskracht. De acteurs leken allemaal besmet met een krankzinnige, kunstzinnige ziekte, een epidemie overgewaaid uit de Oostkust, gecodeerde berichten uit de grote stad, de grootste stad, voor de nieuwe oude mens: Warhol, Nico, Morrissey, elke beweging drukt kracht uit, en vooral elke stilstand. Dit is Orwo. Dit is waar we deel van uitmaken. Dit is BEELD!
(Fins plot)

Den Haag, Givatayim 1976
: …Twee jongens in de hof van Givatayim. Ze zeggen niets en kijken uit over de olijfbomen. De ene zal ongetwijfeld iets hebben gezegd over de bijbel, en de andere zal ongetwijfeld daarop het telefoonboek hebben genoemd. 
De hand verplaatst zich van eigen dij, naar de zijne. De rits tikt onhoorbaar van tandje naar tandje open. Het telefoonboek en de bijbel vallen op de grond. Getsemane houdt zijn adem in. Dit leven hier in Getsemane is tegennatuurlijk en moet gestopt worden.
(Fins plot)

Zuidhorn 1977: 
…‘Roelf?’ 
Uit het halfduister klonk zijn vader. ‘Kom eens’. 
Roelf liep naar de woonkamer en bleef in de deuropening staan. Pappe zat in zijn stoel. Er had iets meegetrild in zijn stem. Dit zou een ernstig gesprek worden, maar Roelf was niet in de stemming. 
‘Ga es zitten jong.’ 
Hij bleef staan. 
‘Zitten.’ 
Roelf wilde het licht aanknippen.
‘Laat maar even. ’
Zijn vader wachtte tot Roelf ging zitten.
 Roelf liet zich langzaam in zijn moeders stoel zakken. Hij zag de stoppelbaard van zijn vader en een wit puntje bij zijn linker mondhoek. Een kloddertje speeksel. Verder was hij een donkere silhouet.
(Gagarins engelen)


Amsterdam 1979:
 …Beneden staat de crew verveeld te ginnegappen. Op de galerij van de bovenste verdieping zal zo meteen de zelfmoordenaar verschijnen, gekleed in de jurk van de vernederde en kaalgeschoren actrice. De buurtbewoners (‘Eindelijk eens een aangekondigde zelfmoord!’) stampen van de kou. Waar wachten ze nog op? Het gele vangkussen is opgeblazen. De bekertjes melige tomatensoep van de crewleden dampen. 
Niemand ziet hoe aan de hemel achter de flatgebouwen rozige vingers zich naar hen uitstrekken.
(De Revisor)

Amsterdam 1980: 
…Onze nieuwe koningin staat met haar familie op het balkon van haar paleis. 
Ze wordt toegejuicht in een rechtstreeks verslag op de nationale zender, terwijl hier, een paar honderd meter verderop, op de binnenplaats van dit kraakbolwerk, met moeite honderden zwarte ballonnen in bedwang worden gehouden. De televisiebeelden maken het mogelijk het precieze moment te bepalen, het moment waarop ze los gelaten zullen worden. 
De hele koninklijke familie zal versteld staan, alsmede de internationale pers.
(Fins plot)

Amsterdam 1996: 
…’ Ja, Geef maar.’
‘Niet door elkaar heen praten, op je beurt wachten’
 ‘Dag papa.’
‘Hoe is’t jong.’ 
‘Ik heb een gele slip.’
 ‘En ik een groene.’
 ‘Wat!’
 ‘Bij judo gekregen, en een diploma.’
 ‘Wat knap. Van harte jongen.’ 
‘En ik kan achterover koppeltje duileken.’ 
‘Nou! Goed!’
 ‘En ik een goudgreep.’
 ‘Houdgreep stommeling.’ 
‘Hij zegt stommeling!’
(Fins plot)


Lelystad 1999: 
…Het hele zwembad snaterde en gilde.
 De jongens wachtten haar al op. Wim, de jongste, wilde van de duikplank en Rutger per se van de glijbaan. Hera zei dat het niets uitmaakte en dat je daarover geen ruzie hoefde te maken. Wim moest direct plassen en Rutger wilde daarop wachten. 
Op dat moment kwam Marijke het zwembad binnen met haar dochtertje. Caroll, met vlechtjes, ze droeg haar roze badpakje hoog opgesneden bij haar liesje. Ze trippelde alsof er overal camera’s op haar gericht waren. 
Marijke knikte naar Hera, toen had ze al gezien dat haar badpak veel te krap zat. Hera zag haar kijken en voelde haar vetrollen ineens als touwen om haar middel zitten.
‘Hai,’ zei Hera.
(De verstopte stad)


Lelystad 2002: 
…Boven Lelystad ontlaadde zich vervolgens een stortbui met ver daarboven een hoog onweer, terwijl één enkele bliksemflits het centrum verlichtte, alsof er uit de hemel een foto werd genomen.
 Tegenover Westra stond een jongeman met rood haar. Ondanks het noodweer buiten was hij droog. Zijn gezicht was bezaaid met roestige spikkels. ‘Goedenmiddag.’ 
‘Goedenmiddag.’ 
‘Wat kan ik voor u doen?’ 
Het klonk als uit Nederlands op Reis.
(De verstopte stad)


Lelystad 2003: 
…De grasmaaier slipte en wilde wegschieten over het gras. Flip hield de machine verbeten onder controle. Beheersing, beheersing. Geen woede. Koel overkomen. De winst pakken. Wegwezen. Kutwijf. Het moest er eens van komen, zo’n scheiding, zo’n echtscheiding.
(De verstopte stad)

Amsterdam 2007: …Kronkjaar herkende de basloop van ‘The Joker’ van Steve Miller: ‘Some people call me the Space Cowboy, some people call me Maurice!’ Kronkjaar wist zeker dat de vermaarde zanger het over hem had en nam nu de hele dansvloer in beslag. Hij spreidde zijn armen breeduit als een zeearend voordat die de sprong van de rots neemt, maar draaide zich volkomen onverwacht om zijn as en priemde daarbij zijn vinger beschuldigend naar de omstanders die verbijsterd toekeken. Hij stampte op de grond, spreidde zijn handen in onschuld, balde zijn vuisten, gooide zijn hoofd in de nek. ‘I’m a beggar, I’m a lover and I’m a sinner,’ brulde iedereen mee. (Kronkjaar)

Zagreb 2007: …Hij stond eenzaam op het plein voor het museum. Hij zag zich met Streetview: een gekleineerde, verlopen man met een te groot hoofd dat onherkenbaar weggepixeld was. Stinkend als een hond. Een man op zoek. Een man op een plein. (Kronkjaar)

 

 

Foto: Henk Veenstra